| |
Waar de golfjes kabbelen van het IJsselmeer,
hurken achter dijken vele dorpjes neer.
Daar ligt ons Westfriesland,
land van veld en wei,
waar gewassen groeien, netjes rij aan rij.
Ja daar wil ik wonen,
land van sloot en riet.
Dat is ons westfriesland,
dat vergeet ik niet.
Waar de leeuwerik zijn schone zangen zingt,
waar des avonds immer teer het anglus klinkt,
dat is ons Westfriesland,
met zijn bonte vee,
waar de bollen bloeien als een lentfee.
Hier en daar een molen
als een wachter staat,
dat is ons Westfriesland,
dat ik nooit verlaat.
Waar de winter alles hult in witte sneeuw,
waarin zoekend wiekt een witte zilvermeeuw,
waar langs gladde banen,
jong westfriesland zwiert,
langs de dode akkers, waar geen plant meer tiert.
In het zonneschijnsel,
mooier nog dan ooit,
dat ik ons Westrfriesland,
Dat vergeet ik nooit. |
|